Interview Thomas Zigterman | Panache

ONFK 2027 • tweede divisie • Panache

Panache – Thom Zigterman

Een As voor Assen en tien minuten bravoure
Thom Zigterman dirigeert

Panache: een As voor Assen en tien minuten bravoure

Een kerkelijke melodie, een muzikale knipoog naar Assen en een flinke portie bravoure. Het zijn niet meteen ingrediënten waarvan je verwacht dat ze samen een concourswerk opleveren. Toch vormen ze de basis van Panache, de rapsodische ouverture van Thom Zigterman die in 2027 op de lessenaars van de fanfares uit de tweede divisie ligt.

Het begon allemaal in 2022, toen CMV Oranje Assen haar honderdjarig bestaan vierde en Thom een compositieopdracht gaf. Eigenlijk zelfs twee: een concertwerk voor het A-orkest en een korter werk voor het opleidingsorkest, beide gebaseerd op hetzelfde thema. Als uitgangspunt werd gekozen voor de melodie Randolph van Ralph Vaughan Williams, in Nederland vooral bekend van het kerklied Ga met God en Hij zal met je zijn.

Van kerklied naar bravoure

Panache is bepaald geen conventionele koraalbewerking. Thom koos voor een rapsodische vorm waarin soms niet meer dan twee of drie noten van de oorspronkelijke melodie als bouwstenen dienen. Vier gedeelten met elk een eigen karakter, van een stralende koperfanfare via een speels en soms grillig tweede deel naar een breed uitgesponnen koraal en een imposante finale. 

En die titel? Die bedacht Thom zelf. Panache, Assen: hij vond het qua klank wel aardig bij elkaar passen. Bovendien mocht een jubileumcompositie best wat bravoure uitstralen.

Er zit zelfs nog een aardig muzikaal grapje in het werk. In het langzame derde deel is de toon As voortdurend aanwezig, als verwijzing naar de plaats van de opdrachtgever. Een soort muzikale postcode dus. En ja, in Assen konden ze dat wel waarderen.

Een fuga hoort erbij

In de finale laat Thom een fuga en het oorspronkelijke koraal uiteindelijk samenvallen. Niet toevallig, want over het schrijven van fuga's is hij vrij uitgesproken: "Een fugatisch gegeven hoort in een concertwerk wat mij betreft." En eigenlijk vindt hij dat een componist zich daar ook gewoon een paar keer aan gewaagd moet hebben.

Maar hoe lastig is Panache nu eigenlijk voor de tweede divisie? Volgens Thom zit de uitdaging vooral in ritmische gelijkheid, verfijning en het zelfstandig kunnen spelen van de verschillende stemmen. Al vroeg in het werk krijgen de saxofoons technisch het nodige voor hun kiezen. Het tweede deel, in een 10/8-maat, vraagt om een vanzelfsprekende schwung. In het daarop volgende koraal draait alles om klankbalans, stemming en spanningsopbouw, terwijl de fugatische finale vooral strak en met voldoende drive moet worden uitgevoerd.

Opvallend is dat Thom denkt dat ook een kleinere fanfare prima met het werk uit de voeten kan. Een groot orkest heeft vaak méér moeite om de noodzakelijke doorzichtigheid te bewaren.

Vier karakters, één verhaal

Waar gaat de componist straks tijdens de ONFK vooral op letten? Allereerst wil hij de bravoure horen. Maar minstens zo belangrijk vindt hij dat de orkesten de vier verschillende karakters overtuigend weten neer te zetten, zonder dat de overkoepelende muzikale lijn verloren gaat. Tien minuten muziek moeten uiteindelijk ook als tien minuten muziek blijven klinken. Voor de componist is het bovendien mooi dat Panache inmiddels een leven buiten Assen heeft gekregen. Een opdrachtwerk dat na de première in de kast verdwijnt, daar schrijft hij liever niet voor.

En voor wie zich afvraagt of Thom alweer nieuwe plannen heeft: na een bijzonder druk WMC-jaar met vier uitgevoerde composities is het op dat vlak momenteel even rustig. Maar stilzitten doet hij niet. Naast het nodige arrangeerwerk droomt hij er nog altijd van om Stravinsky's Le Sacre du Printemps voor een enorm groot fanfareorkest te bewerken. Gewoon, om te kijken of het kan.

Voorlopig is het woord echter aan de tweede divisie. Vier karakters, één rode draad en tien minuten om te laten horen hoeveel panache er in een fanfare kan zitten.

Componeren vanaf drie stoelen

Misschien helpt het daarbij dat Thom de blaasmuziek inmiddels vanaf drie verschillende stoelen kent: als muzikant, dirigent én componist. Als speler weet hij wat prettig en logisch in de vingers ligt, als dirigent kijkt hij naar balans, spanningsbogen en wat een orkest daadwerkelijk kan laten horen, en als componist kan hij vervolgens met al die kennis gaan spelen. Die werelden lopen bij hem voortdurend door elkaar. Een mooie illustratie daarvan is een wens die al langer door zijn hoofd speelt: ooit Stravinsky’s Le Sacre du Printemps bewerken voor een groot fanfareorkest. Niet bepaald het werk waarvan je op een regenachtige dinsdagmiddag denkt: laat ik dat eens even voor fanfare zetten. Maar juist dát lijkt Thom te prikkelen. Wat kan een fanfareorkest aan kleur, ritme en geweld eigenlijk allemaal aan? En hoe vertaal je zo’n monumentale partituur zonder dat het een slap aftreksel wordt? Voorlopig is het nog een plan, maar wel eentje dat veel zegt over de nieuwsgierigheid van de componist.

AdH